Liedanalyse: Nederland

Claudia de Breij, Nederland, Alleen (2013)
(Claudia de Breij/Sander Geboers)

– liedanalyse door Siebe Palmen
Mijn laatste liedanalyse is alweer even geleden, laten we de drukte de schuld geven. Ik heb wel erg veel zin om er weer eens eentje te schrijven en merk ook dat ik er even in moet komen. Er zijn genoeg momenten geweest die zich leenden voor een liedanalyse. Neem bijvoorbeeld Het Koningslied van John Ewbank en consorten. Of, veel leuker, Jan Beuving die samen met Angela Groothuizen en Nico Brandsen de Annie M.G. Schmidtprijs heeft gewonnen voor het lied “Vinkeveen”. Een analyse van een lied van Jan Beuving houden jullie nog van me tegoed, daar kom ik nog op terug.

Onlangs had ik de eer om de cd-presentatie van Claudia de Breij en haar nieuwe album “Alleen” bij te wonen. Een mooie avond met als kers op de taart “Suzanne” als een duet tussen Claudia de Breij en Herman van Veen, schijnbaar niet gerepeteerd en daardoor heerlijk onbevangen.

Op het album “Alleen” valt één lied erg op. Tussen alle liedjes over liefde, kinderen en de kruisbestuiving daarvan, is nummer 6 een maatschappijkritisch lied. En die vind ik toch het meest interessant.

Heel fijn, die mondharmonica in het begin. En geen moeilijk loopjes, gewoon drieklanken, in- en uitblazen. Het doet denken aan veel liedjes van Bob Dylan. Folk, blues, protest. En dat maakt dan weer nieuwsgierig naar wat De Breij te vertellen heeft.

‘k Was klein in een klein land
Een klein land dat zo groot kon zijn
Van grote daden, grote namen
Van Johan Cruijff en van Piet Hein

De eerste zin gaat over Claudia zelf. De klemtoon ligt op was. Ze wás klein, is het nu niet meer. Dat kan ze natuurlijk zowel letterlijk (in lengte, leeftijd), als figuurlijk (carrière, liefde) bedoelen. Maar ze trekt direct de vergelijking met het ‘kleine’ Nederland. De Breij is zelf geboren Utrechtse, en Utrecht kan enorm dorps aandoen. En dan is zelfs als kind het land waar je woont aandoenlijk klein.

En ach, mocht je het vergeten zijn, een beetje geschiedenis voor den mensch: Piet Hein was degene die omstreeks 1600 verantwoordelijk was voor het veroveren van de Spaanse zilvervloot. In die tijd een heldendaad, waar we nog steeds trots op mogen zijn. En dat vindt De Breij ook.

Van VOC en schaamte
Over wie betaald had voor ons feest
Van Anne Frank en van hoe
Goed we in de oorlog zijn geweest

De VOC en Anne Frank ga ik zeker niet uitleggen, ik mag hopen dat iedere weldenkende Nederlander weet waar het over gaat. Wat wel interessant is, is dat De Breij schaamte en VOC in één adem noemt, terwijl het doorzet in de lijn van trots. De VOC draagt natuurlijk wel die tweeledige gevoelens met zich mee. We mogen trots zijn dat we ooit een dergelijke wereldmacht hadden, maar daarbij moeten we ons schamen voor de daden die onze voorvaderen voor deze wereldmacht hebben gepleegd.

Vervolgens gaat het woord schaamte naadloos over in een zin die weer niets met de VOC te maken heeft. Wie betaald had voor ons feest zou op elk feest in het verleden, gefinancierd door dubieuze partijen, kunnen slaan. Maar misschien nog wel dichterbij is het Bevrijdingsfeest, en hoeveel mensen dat hebben moeten betalen met hun leven. De Bevrijding geeft daardoor ook een tweeledig gevoel.

Grote woorden, grote daden
Bij ons hoorden grote namen

De grote woorden en grote namen noemde De Breij twee coupletten eerder ook al. Nog eens een bevestiging van wat ze zojuist zowel letterlijk als figuurlijk geïllustreerd heeft.

’t Was klein maar het kon zo groot zijn
’t Was klein maar het kon zo groot zijn
Klein maar het kon zo groot zijn
Nederland

Het is een mooie tegenstelling: klein en toch groot. Nederland zoals het Gallische dorpje dat zo dapper weerstand bood tegen de Romeinen.

Waarom De Breij de derde keer ’t Was weglaat? Door twee keer hetzelfde achter elkaar te zingen, zet ze een gewoonte, een verwachting in. Door dit de derde keer subtiel aan te passen, houdt ze het publiek actief.

‘k Was klein in een klein land
Een klein land dat grote dromen had
Van trots en deltawerken
En een coffeeshop in ieder gat

De klemtoon in coffeeshóp ligt natuurlijk verkeerd, dus je kunt dat zien als een compositorische misser. Maar wanneer je gaat nadenken over alternatieven, kun je eigenlijk slechts concluderen dat dit wel de beste keuze is geweest.

Van vrijheid om te sterven
Als jij zegt dat het nu mooi is geweest
Van campingstoeltjes langs de grachten
Want de nichten vieren feest

Van de coffeeshop tot hier zet ze prachtig onze tolerantie uiteen. Drugs, homo’s, euthanasie. Het mag allemaal. En stiekem benoemt ze ook nog even onze truttigheid met onze campingstoeltjes.

Vrije geesten, grote dromen
Met ons zou alles wel goed gaan komen

“Toen” zou alles met ons wel goed gaan komen. De Breij is daar niet meer zo zeker van. Wederom herhaalt ze overigens woorden uit het couplet ervoor: grote dromen.

Het was klein maar het kon zo groot zijn
Het was klein maar het kon zo groot zijn
Klein maar het kon zo groot zijn
Nederland

Ik heb moeite met dat laatste woord, Nederland. Of beter gezegd, de melodie waarop dat woord wordt gezongen. Door de dalende melodie van dit woord, eindigend op de grondtoon van de toonsoort, in combinatie met de klank van “-land”, valt het geheel als een baksteen op de grond. Het landt letterlijk. En dat voelt aan als een dooddoener. Als je dit zingt, ligt ook het gevaar op de loer om het te laag te intoneren, wat het nog neerslachtiger maakt. We zijn toch trots?

‘k Ben groot in een klein land
Een klein land, waar kleine hartjes zijn
Waar hele boze grote monden
Staan te schreeuwen langs de lijn

Is ze hier arrogant? Nee, met groot bedoelt ze volwassen en als artiest heeft ze wel een bepaalde staat van dienst. Van mij mag ze dit zingen.

Als ik dit luister, verwacht ik na staan te schreeuwen de woorden op het plein, wat zou duiden op protesten, op De Dam bijvoorbeeld. Maar grootschalige massale protesten, zoals in de jaren ’70 tegen kerncentrales, kennen we eigenlijk niet meer. De groepen zijn steeds kleiner geworden, steeds meer verdeeld. Langs de lijn is in mijn oren dus niet alleen verrassend, maar ook dichter bij de werkelijkheid. De beste stuurlui staan aan wal.

Waar we niet meer trots in actie
Komen voor een arm land
Want wij zijn zelf al zo zielig
En de ander irritant

Je gaat je oprecht schamen voor ons land als je dat nog niet deed. Inderdaad, hoe kleinzerig en intolerant zijn we geworden?

Klein zielen, grote monden
Kleine woorden, diepe wonden
Al die mensen, al die namen
Met z’n allen, toch niet samen

Weer een herhaling, dit maal grote monden. Elk pre-chorus komt een dergelijke herhaling terug, dus kun je gerust stellen dat het een weloverwogen keuze is geweest.

Waar ik klein was, wil ik groot zijn
Waar de dromen nog niet dood zijn

Ze wil groot zijn in het Nederland dat ze kende als kind. Zijn onze dromen echt dood? Dat moet ieder voor zich maar bepalen, maar De Breij doelt op onze gezamenlijke dromen, als land, als eenheid. En ik denk dat ze de spijker op zijn kop slaat. Het land is momenteel zo verdeeld, dat er geen gezamenlijke droom meer is. Alleen maar kleinere groeperingen die geen meerderheid vormen.

Het is klein en het kan zo klein zijn
’t Is klein en het kan zo klein zijn
Klein en het kan zo klein zijn
Nederland
Nederland

En nu blijkt die neerslachtige melodie geheel verantwoord. Het is zuchtend, cynisch, veroordelend, gefrustreerd. “Kom op nou, waar zijn we in godsnaam mee bezig?!”