Liedanalyse: Lente

Brigitte Kaandorp, Lente, Zó (2010)

– liedanalyse door Siebe Palmen
Het is al weer even geleden, mijn vorige analyse. Dat heeft te maken met de vakantie-periode, maar ook met het gebrek aan noodzaak. Weinig concerten, en vrijwel geen leerlingen die met liedjes bezig zijn die inspiratie bieden voor deze blog.

Toch deed zich dit weekend een noodzaak voor om het lied Lente van Brigitte Kaandorp eens onder de loep te nemen. Ik vond het al een prachtig lied, en ik zing het graag omdat het heel erg veel ruimte geeft om te spelen met de tekst en muziek, waardoor er elke keer een andere uitvoering ontstaat. Maar onlangs kreeg het ook nog eens ware betekenis, ware het niet vanuit een heel ander perspectief. Deze noodzaak is echter te persoonlijk om publiekelijk over uit te wijden, dus hou ik het verder slechts bij de onderstaande analyse.

Als ze ’s middags thuiskomt in de druilerige regen
En ze laat haar fiets gewoon maar vallen in de heg
Ze smijt haar boeken in de hoek
Een schop d’r tegen

Doordat Kaandorp een ontzettend beeldend begin neerzet, is er direct een beeld duidelijk: de somberheid straalt overal vanaf. Het sombere weer, de onverschilligheid met de fiets, en de boeken die het meisje op geen enkele manier iets gedaan kunnen hebben, maar wel de schuld lijken te krijgen van wat er dan ook gebeurd is. Nijland, die verantwoordelijk is voor de compositie, versterkt deze somberheid nog eens door het geheel te beginnen in de toonsoort G-mineur. Droeve ten top. Ik zeg meisje, omdat ik vermoed dat het hier om een schoolmeisje of een studente gaat, vanwege de boeken en de achteloze omgang hiermee. Herkenbaar?

Dan weet ik al genoeg, maar kijk wel uit met wat ik zeg

Kaandorp introduceert hier, vrij snel en heel subtiel, zichzelf in het lied. Dat betekent dat er een relatie is tussen Kaandorp en het meisje dat ze bezingt. Er is geen enkele reden waarom Kaandorp dit niet vanuit haar eigen volwassen zelf zou zingen, dus we mogen er vanuit gaan dat dit een moeder-dochterrelatie betreft. En ze weet precies wat er aan de hand is, al is het beter om te zwijgen.

Hij heeft het uitgemaakt
‘k Heb het aan zien komen
Ooh, de eerste keer doet dat verschrikkelijk veel pijn
Midden in de winter nota bene
Nu alle kleuren zijn verdwenen
Nu de zon maar niet wil schijnen
En het eeuwig donker lijkt

Nu weten we de context ook. Het is niet zomaar een chagrijnige puber, ze heeft het oprecht moeilijk. En moederlijk als Kaandorp is herkent de situatie, en begrijpt het daarom des te beter. Zeker nu alles, maar dan ook alles de gevoelens van haar dochter lijken te versterken. Kaandorp maakt het (Nederlandse) winterseizoen tot een prachtige metafoor.

Als ik het kon schoof ik de hemel voor je open
Ik floot het fluitenkruid zo uit de natte klei
Ik haalde de kou uit de lucht
Ik joeg de winter op de vlucht
Ik zette een koe in de wei
En in ene was het mei
En je verdriet was dan vergeten en voorbij

Ah, en nu begrijp ik ook waarom het lied “Lente” heet. Het gaat niet over de lente, het gaat om het verlangen naar de lente. Nijland heeft dit verlangen heel goed begrepen, en wisselt hier van toonsoort G-mineur naar G-majeur. Hierdoor voelt het geheel opeens heel hoopvol, en is het daadwerkelijk opbeurend.

Dat is belangrijk, want Kaandorp is hier ook gewisseld van spreekrichting. Waar ze eerder nog tegen ‘het publiek’ over het meisje zong, zingt ze er nu rechtstreeks naartoe. Niet echt natuurlijk, want los van het feit dat je zoiets nooit met deze woorden tegen iemand zal zeggen, zong Kaandorp eerder al dat ze beter haar mond kan houden.

Als ik later thee wil komen brengen op d’r kamer
Roept ze door de deur: ‘ik hoef niks, laat me nou met rust’
Wat vroeger met een pleister en een kus
Of een snoepje was verholpen
Daar helpt nu geen lieve moeder meer
Dat is voorlopig niet gesust

We zitten weer in mineur. Het meisje in ontroostbaar, en moeder kan helemaal niets goed meer doen. Volkomen begrijpelijk. Maar Kaandorp weet ook dat het gewoon wat tijd nodig heeft: ze komt er wel overheen. Maar als ze kon…

Als ik het kon blies ik die grijze zooi aan flarden
Ik haalde de vogels uit het zuiden voor je terug
Ik pleurde een ei in een nest
En ik zei, kom op je doet je best maar
We moeten lente hebben en een beetje vlug

Kaandorp wordt er zelfs een beetje boos en agressief van. “Kom op, begrijpen jullie niet dat mijn dochter verdrietig is?! We moeten haar helpen, op welke manier dan ook!” De wisseling naar de majeurtoonsoort ondersteunt ook die emotie ontzettend goed.

Na elke winter is er altijd weer een lente
’t Is in de eeuwigheid nog nooit anders gegaan

Kaandorp moet het onder ogen zien: ze kan niets voor haar dochter doen, behalve haar troosten met de woorden dat ze er wel weer overheen komt. De lente komt vanzelf, geef het alleen wat tijd. Zo is het altijd gegaan, en zo zal het altijd blijven.

En wat denk je dat Nijland doet? We zitten al in majeur, dus die wisseling gaat niet meer op. Om dat extra beetje hoop nog eens aan te vullen, moduleert Nijland nog eens keihard een halve toon omhoog. Net dat extra duwtje.

De eerste merel die fluit
De eerste knoppen schieten uit
En ook al geloof je me niet

En hier doet Nijland hetzelfde nog een keer. Ook al geloof je me niet. Dus nog maar een beetje meer overtuigingskracht.

Opeens verdwijnt je verdriet
Het is in de eeuwigheid nog nooit anders gegaan

Hier nog een keer de herhaling dat het altijd zo is geweest en altijd zo zal blijven. Voor als je daar nog niet van overtuigd was.

Er komen zo veel nieuwe lentes
Zo veel nieuwe zomers
En zo veel nieuwe liefdes voor je aan

Ik vraag me af in hoeverre de dochter van Brigitte Kaandorp geholpen zou zijn met dit lied, want dit komt wel heel erg dichtbij. Maar als je als luisteraar in eenzelfde situatie zit, zowel in die van de moeder als van de dochter, dan kan het in mijn oren nét dat verschil maken.